Johannes Nicolaas Jozef (Joop) van der Meij (engelandvaarder)

Geboren op 06 maart 1910 te Raalte
Vertrokken op 20 september 1942

Joop van der Meij ontloopt executie

Johannes Nicolaas Jozef van der Meij (30) uit Raalte is. In 1928 was hij adelborst geworden en in september 1931 bedigd als luitenant-ter zee derde klasse. Hij kwam bij de onderzeedienst en werd naar Nederlandsch-Indi gestuurd. Terug in Nederland diende hij vanaf 1937 bij de afdeling personeel van het ministerie van Marine. Tijdens de Spaanse burgeroorlog voer hij op de Hr.Ms. Hertog Hendrik ter bescherming van konvooien in de Straat van Gibraltar.

Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, is hij in Den Helder verbonden aan de aldaar gevestigde opleiding Militaire Vorming. Hij is dan luitenant-ter-zee tweede klasse. Als officier wordt hem op 14 juli 1940 de erewoordverklaring voorgelegd, waarin hij belooft niets tegen de bezetter te ondernemen. Hij ondertekent deze en wordt daarna door de bezetter eervol ontslagen.

Voordat hij naar Engeland vertrekt heeft hij bij toeval informatie gelezen over een vaargeul bij de Afsluitdijk. Hij gaat op onderzoek uit en ontdekt dat er aan de noordkant van de dijk een geul is van ongeveer 3 meter diep. Deze informatie is voor 'Londen' zeer waardevol met het oog op een eventuele invasie van de geallieerden in de noordelijke provincies en de doortocht naar Duitsland.

Met Henk Bouvy en John Siliacus, beiden voormalig officier op de Hr. Ms. Jan van Galen, werkt hij een ontsnappingsplan uit. Hij koopt een bootje en terwijl Bouvy de motor en de buitenmotor test zoekt hij met Siliacus naar een goede vertrekplaats. Om de kosten te dekken vragen ze nog enkele mannen met hen mee te gaan: Jelke Bosch, Hendrik Cohen, Rudolph Cort van der Linden en Johannes Evert van der Slikke.

Op 20 september 1942 vertrekken ze. Het bootje is te water gelaten bij de westpunt van Wieringen. Ze lopen even vast bij Den Helder, maar daarna bereiken de open zee. Daar worden ze door een Duitse mijnenveger ontdekt en gearresteerd.

Op 23 september worden ze naar de strafgevangenis in Scheveningen gebracht, het beruchte 'Oranjehotel'. In maart 1943 wordt het vonnis geveld. Van der Meij wordt op transport gezet naar een tuchthuis in Rheinbach. Omdat hij erg verzwakt is, moet hij enveloppen maken en oude uniformen uit elkaar peuteren. Later moet hij in een machinefabriek werken.

In maart 1944 naderen de Amerikanen het kamp. Er worden 100 gevangenen door de Wehrmacht gefusilleerd voordat de gevangenisdirecteur hiertegen succesvol protesteert. Dan besluit de Wehrmacht het hele kamp op te blazen, hetgeen voorkomen wordt door de Amerikanen.

Op 10 april worden de gevangenen bevrijd. Vijf dagen later wordt bij Van der Meij vlektyphus geconstateerd. Hij mag op 23 mei met een Belgisch konvooi mee naar Verviers en komt enkele dagen later weer thuis.

Na de oorlog gaat hij op de torpedojager Mr.Ms. Tjerk Hiddes naar Indi terug. Hij neemt deel aan de 'politionele acties' en aan de bezetting van het eiland Menari bij Soerabaja. In 1951 wordt hij aangesteld als hoofd van de personeelsafdeling op het ministerie.

Nadat hij commandant van de Hr.Ms. Evertsen is geweest, wordt hij in 1956 bevelvoerend officier van het marine-opleidingskamp in Hilversum. Van 1962-1972 is hij directeur van het Katholiek Ziekenhuis in Hilversum. Hij overlijdt in 1999.

Na de oorlog heeft hij het boek 'Op erewoord, oorlogsherinneringen van een marineman' geschreven.