Personen A

 

René Philippe (René) Alting du Cloux (engelandvaarder) (militair)

Geboren op 21 december 1915 te Batavia, Nederlands-Indië
Overleden op 20 juni 1978 te Canada
Aangekomen op 10 september 1942 via Zwitserland en Spanje

René Alting du Cloux (1915-1978)

Reserve-luitenant René Philippe Alting du Cloux is op 21 december 1915 in Batavia geboren als enig kind van Fokko Alting du Cloux, havenarts in Soerabaja en Semarang, en Elisabeth Hendrika Rambonnet. In 1932 verhuist hij met zijn moeder en stiefvader naar Den Haag. Hij gaat naar de kostschool van Hendrik Wullings in Voorschoten, haalt in 1933 zijn HBS eindexamen en gaat naar Amersfoort om de onderofficiersopleiding van de RAV5 te volgen. Hij wordt op de SCROBA in Ede geplaatst en zwaait in 1937 als wachtmeester af. Dan gaat hij voor mijnbouwkundig ingenieur studeren en werken in de Staatsmijn Maurits.

Op 10 mei 1940 is hij met het 20ste regiment Artillerie betrokken bij gevechten in Mill. Hij wordt krijgsgevangen gemaakt en naar het Sammellager in Badhorn (Duitsland) gebracht en twee weken later naar Weinsberg ten N. van Stuttgart. Op 19 juni 1940 mag hij weer naar Nederland, en op 1 juli krijgt hij ontslag. Hij gaat werken bij de Opbouwdienst in Leeuwarden, dan in Hoog-Halen en dan in Sneek. Op 22 maart 1941 wordt de opbouwdienst opgeheven. Hij slaagt in juli 1941 voor de cursus van reserve-officieren van de Marechaussee, maar weigert overplaatsing naar Schalkhaar en wordt per 1 december ontslagen.

Op 3 januari 1942 krijgt hij een baan bij het Afwikkelingsbureau Defensieschade in Den Haag, afdeling Inkwartiering. Lang heeft hij daar niet gewerkt, want op 23 februari 1942 verlaat hij bezet Nederland in zuidelijke richting, samen met Winnie Arendsen de Wolff en Jaap Welleman. Via Zundert, Antwerpen, Brussel en Heer-Achtmont komen ze bij het grensplaatsje Givet. Ze nemen de trein naar Nancy, slapen daar in de wachtkamer en gaan dan naar Epignol (Épinal?). Als ze in Belfort komen, sluiten drie Nederlandse Joden zich bij hen aan: Harry Bambergen (1921), Meijer Frank (1906) en Rolf Nathan (1909). Allen nemen de trein van Boncourt naar Porrentruy en vandaar naar Bern. Tot hun verbazing passeren ze de grens zonder controle.
In Bern worden ze ontvangen door de gezant, Johan Bosch ridder van Rosenthal, want generaal van Tricht heeft verlof. Ze worden verhoord door de Zwitserse politie, de drie Joden worden naar een kamp in Locarno gestuurd en de Hollanders naar het werkkamp in Cossonay. Op 4 juli 1942 verlaten René, Winnie en Jaap Welleman (1916-2004) het kamp met toestemming van de kampcommandant om in Genève naar de tandarts te gaan. Ze keren niet terug, maar vervolgen hun weg naar Perpignan. Ze worden onderweg gearresteerd, slagen erin te ontsnappen en worden opnieuw gearresteerd. Dan krijgen ze de keuze: gevangenis of vreemdelingenlegioen. Ze kiezen voor het legioen en een vervoersbewijs om naar Marseille te gaan. Daar nemen ze contact op met Jhr van Lennep, die voor valse paspoorten zorgt. Op verschillende data vervolgen ze hun reis naar Perpignan, Jaap Welleman op 29 augustus met Wouter Noordhof en Robbie Wijting, René op 30 augustus en Winnie op 4 september. Joop Kolkman helpt hen om naar Spanje te gaan. In afwachting van een visum help René Kolkman met het maken van valse passen.
Op 10 september 1942 vliegen ze naar Engeland. Daar krijgt René een commando-training en dient hij vervolgens bij het Royal Marine No 5 Commando.
Hij is getrouwd met Margaret Ruth Taylor (1923) en naar Alberta, Canada, geëmigreerd. Hij is op 20 juni 1978 in White Rock, British Columbia, overleden. Beiden zijn begraven op Hillside Cemetery.

Onderscheiding:
* Bronzen Leeuw, wegens acties bij Mill op 10 mei 1940




Foto dd 14 juni in Cossonay, vlnr Jacob van Golen, René Alting du Cloux, Hans Bueninck, Ino Sleeboom, Hans Stam, Winnie Arendsen de Wolff en Harm Steen;